Artikelen

Internationaal erfrechtelijke valkuilen
Voorkom dat bij overlijden het kalf al verdronken is!

( In: Vakblad EstatePlanning • februari 2026 • nummer97 / Lefebvre/Sdu)

Alhoewel men zich in de maatschappij steeds internationaler opstelt, is het voor veel fiscalisten, accountants, notarissen en andere estateplanners lastig om alle gevolgen van het internationale erfrecht te doorgronden. Mr. Germaine Kuis schetst aan de hand van drie valkuilen enkele erfrechtelijke problemen die kunnen ontstaan en geeft tips om ongewenste gevolgen te voorkomen.

De laatste jaren blijken estateplanningsadviezen voor cliënten zich niet alleen meer te beperken tot onroerend goed of vennootschappen in Frankrijk of aan een van de Spaanse Costa’s. Ook beleggingen in de VS, Azië en in Dubai zijn inmiddels aan de orde van de dag. Het gaat om expats of vermogende Nederlanders, al dan niet vertrokken naar een fiscaal aantrekkelijk buitenland.

Dat deze situaties grote erfrechtelijke gevolgen met zich mee kunnen brengen is doorgaans wel duidelijk. Men denkt echter vaak dat de Europese Erfrecht Verordening1 (ErfVo) dan wel dé oplossing zal zijn voor alle problemen. Helaas blijkt dit in de praktijk niet altijd het geval. Daarom schets ik aan de hand van een paar voorbeelden de daarbij behorende problemen en reik ik eventuele oplossingen aan zodat de spreekwoordelijke put voortijdig gedempt kan worden.

Valkuil 1: een buitenlands huwelijksvermogensrechtelijk stelsel dat van invloed is op de erfrechtelijke verkrijging

Expats of Nederlanders gehuwd met een partner van een andere nationaliteit en in eerste instantie woonachtig in het buitenland, zijn vaak gehuwd onder een buitenlands huwe-lijksvermogensrecht stelsel. Dat is niet alleen van belang
bij echtscheiding maar ook bij overlijden, en dus belangrijk voor estate planning adviezen. Immers, buitenlandse huwe-lijksvermogenstelsels kunnen zomaar gevolgen hebben voor het toepasselijke (Nederlandse) erfrecht.

In Duitsland heeft bijvoorbeeld een echtgeno(o)t(e) alleen al uit hoofde van de Zugewinngemeinschaft2 recht op een ‘Pflichtteil’ van een kwart van de nalatenschap. Bij het einde van het huwelijk door echtscheiding wordt in beginsel over het tijdens het huwelijk verworvene afgerekend. Die afrekening vindt plaats door de totaalsom van de door beiden tijdens het huwelijk gerealiseerde vermogensvermeerdering, gelijk te verdelen: aan ieder komt de helft toe. De uitvoering daarvan geschiedt door middel van een verrekeningsvordering/schuld, de zogenoemde Zugewinn Ausgleich. Als het huwelijk eindigt door het overlijden van een van de echtgenoten blijft deze verrekening in beginsel achterwege.
Ingevolge paragraaf 7371 van het Duitse Burgerlijk Wetboek (BGB) wordt, im Todesfall der Zugewinnausgleich pauschal so durchgeführt, dass sich der gesetzliche Erbteil der Ehegatten um ein Viertel erhöht. De langstlevende echtgeno(o)t(e) ontvangt bovenop het wettelijk erfdeel een kwart van de nalatenschap. In geval van ontbinding van een dergelijke Zugewinngemeinschaft door het overlijden, behoort tot de nalatenschap van de erflater geen verrekeningsvordering of -schuld.
De afwikkeling van de Zugewinngemeinschaft vindt civiel-rechtelijk bij overlijden volledig plaats in het kader van de erfrechtelijke verkrijging van de nalatenschap van de erflater. Ook de verhoging van het wettelijke erfdeel met een kwart van de nalatenschap is daarmee een verkrijging krachtens erfrecht en niet krachtens huwelijksvermogensrecht.

Lex rei sitae

Daarnaast zijn er ook diverse huwelijksvermogensrechtelijke stelsels waarbij de internationale conflictregels het niet mogelijk maken om een rechtskeuze te maken voor een bepaald huwelijksvermogensrechtelijk stelsel. Zo wordt onder meer in de VS bepaald dat onroerende zaken (‘immovables’) die ten tijde van de huwelijkssluiting aan (één van) de echtgenoten toebehoren of die tijdens het huwelijk worden verkregen, huwelijksvermogensrechtelijk worden gekwalificeerd naar de lex rei sitae, dat wil zeggen het recht van de plaats waar de onroerende zaak gelegen is. Van belang is dat ook een trust-vorm of aandelen gezien worden als onroerende zaken. Pensioenrechten, als vorderingsrecht, worden ook vaak als ‘immovables’ aangemerkt.

De uitkeringsgerechtigde wordt, net als bij een trust, de beneficiairy. De uitkeringen worden gedaan door een ‘incor-porated’ of ‘unincorporated asscociation’ en zijn daarom tevens aan te merken als immovables. In beginsel worden ook deze immovables beheerst door de lex rei sitae.

In bepaalde staten van de VS geldt een huwelijksvermo-gensstelsel van community of property3 (gehele of gedeel-telijke gemeenschap van goederen) maar soms geldt ook common law. Als is bepaald dat goederen zijn verkregen in ‘joint tenancy with the right of survivorship’ of ’tenancy by the entirety,’ geldt dat alle goederen naar de langstlevende gaan, ongeacht de inhoud van een testament. Bij een ’tenancy in common’ kan een goed wel conform het testament overgaan naar een derde.

Stap voor stap

Er zal dan ook in het kader van internationale estateplanning grondig onderzocht moeten worden of er, net als in het Duitse en Amerikaanse voorbeeld, huwelijkse bepalingen zijn die van invloed zijn op het vererven van (gemeenschappelijke) goederen. Pas nadat het huwelijksvermogens-stelsel duidelijk is, kunnen de erfrechtelijke aspecten aan de orde komen. Bij estateplanning of de afwikkeling van nalatenschappen moet dus rekening worden gehouden met buitenlandse huwelijksvermogens-rechtelijke stelsels. Zoek dus eerst uit of er erfrechtelijke gevolgen zijn die voortvloeien uit het toepasselijke huwelijksvermogensrecht – los van het toepasselijke erfrecht – of laat dit uitzoeken voordat je aan de slag gaat met een advies of met de afwikkeling van de nalatenschap.

Niet alleen in Nederland heeft een echtgeno(o)t(e) veel erfrechtelijke bescherming. Er zijn ook veel buitenlandse erfrechtelijke stelsels die niet uitgesloten kunnen worden en die erg veel ruimte bieden aan de langstlevende echt-geno(o)t(e) en vergaand rechten inperken van de erfgenamen. Daarom ook twee valkuilen bij het onderzoek naar welk erfrechtelijk rechtstelsel van toepassing is.

Valkuil 2: het woonplaatsbeginsel

Het begrip ‘woonplaats’ veroorzaakt in het internationale erfrecht veel verwarring. In de adviespraktijk wordt vaak fiscaal gedreven geadviseerd en sluit men aan bij het Nederlandse fiscaalrechtelijke woonplaatsbegrip van artikel 4 AWR. Hierbij dienen feiten en omstandigheden te worden beoordeeld. Hoe die fiscale beoordeling uitvalt, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval en heeft in het verleden al diverse malen tot discussie geleid4• Het dient in elk geval te gaan om de duurzame band die iemand met Nederland heeft. Beoordeeld worden daarbij de duur van het verblijf in Nederland, de aanwezigheid van een woning of verblijfplaats, de familie- en sociale banden, de nationaliteit en taal en vooral de intentie van betrokkene ten aanzien van zijn verblijf. Inschrijving in de Basisregistratie of het hebben van een zorgverzekering is uitdrukkelijk geen argument. Fiscaal gezien kan iemand zelfs twee woonplaatsen tegelijkertijd hebben.

Binnen de Europese civiele erfrechtregels worden ook veel dezelfde feiten en omstandigheden van belang geacht maar is dit laatste anders. Voor de toepassing van het woonplaatsbeginsel in de ErfVo geldt de term ‘gewone verblijfplaats’. Erflater kan slechts één enkele gewone verblijfplaats hebben5. Bij de definitieve beoordeling van alle objectieve omstandigheden om ‘de’ gewone verblijfplaats te bepalen moet een combinatie van factoren worden meegewogen.
De gewone verblijfplaats moet voortvloeien uit een oordeel over alle aspecten die het leven van de erflater in de jaren vóór zijn overlijden en op het tijdstip van overlijden hebben gekenmerkt. De tijd die een persoon in een lidstaat doorbrengt is op zichzelf geen doorslaggevend criterium. Andere aanwijzingen zoals de sociale en de gezinssituatie van de persoon of de nabijheid bij de plaats in kwestie moet het eerdergenoemde element van de tijd die iemand in een lidstaat doorbrengt bevestigen. Een bepaalde beroepskeuze kan er bijvoorbeeld toe hebben geleid dat iemand naar een andere staat is verhuisd zonder dat het ‘centrum van zijn belangen voor zijn gezins- en sociaal leven’ is verplaatst. De gewone verblijfplaats blijft dan ergens anders dan de staat waar hij voor zijn werk naartoe is verhuisd.
Dat het toepassen van de gewone verblijfplaats ten opzichte van het recht waar erflater zijn beroep of bedrijf uitoefent nogal kan verschillen voor het hebben van een erfrechtelijke claim wordt duidelijk uit volgend praktijkvoorbeeld.

Voorbeeld

Vader, met Italiaanse nationaliteit, was in Kroatië overleden. Cliënte was samen met een broer enige afstammeling van erflater. Erflater had ook een langdurige relatie met een dame met wie hij informeel samenwoonde en die ook in Kroatië zou wonen ten tijde van het overlijden. Er was al een Kroatische advocaat ingeschakeld en in samenwerking met een lokale notaris werd de nalatenschap afgewikkeld. Onder druk van de Kroatische advocaat werd er aangedrongen op een minnelijke schikking. De partner had volgens de advocaat naar Kroatisch erfrecht recht op een groot deel van de nalatenschap.

Bij nader en grondig onderzoek bleek; erflater was veel in Kroatië omdat hij daar een onroerende zaak had gekocht en bezig was daar diverse appartementen van te maken voor de verhuur. Ten tijde van de verbouwing verbleef hij in dat pand. Echter, erflater woonde eigenlijk met zijn partner samen in Duitsland. Uit alle feiten en omstandigheden bleek dat hij daar zijn gewone verblijfplaats had. Duits erfrecht was daarmee van toepassing. Naar Duits erfrecht had de partner helemaal geen enkel recht op de nalatenschap. Het kostte enorm veel moeite de Kroatische advocaat van cliënte hiervan te overtuigen maar het is uiteindelijk gelukt. Het is dus enorm belangrijk om altijd goed uit te zoeken welk erfrecht van toepassing is, niet alleen bij de afwikkeling van nalatenschappen maar ook bij het schrijven van een estateplanning-advies. Vraag dus altijd kritisch door naar alle aspecten die spelen of speelden qua relaties, verdere privéomstandigheden en werk maar vraag ook bij estate planning naar toekomstverwachtingen; verwacht men bijvoorbeeld na pensionering in het buitenland te gaan wonen?

Domicile versus domicilie

Los van een woonplaatsbeginsel of een gewone verblijfplaats kennen we nog meer van dergelijke begrippen in het internationale erfrecht. In (van oorsprong) Anglo-Saksische landen gelden net zoals bij het internationale huwelijksvermogensrecht ook voor het erfrecht eigen internationale verwijzingsregels. Voor onroerende zaken geldt ook de lex rei sitae en voor roerende zaken wordt vaak verwezen naar het recht van de staat waar erflater zijn ‘domicile’ heeft.

Het woord ‘domicile’ wordt vaak door leken rechtstreeks vertaald naar het Nederlands-rechtelijke begrip ‘domicilie’. Dit is echter onjuist. Waar het Nederlandse begrip ‘domicilie’ aansluit bij het begrip woonplaats gaat een Anglo Saksische ‘domicile’ eerder om een soort van ‘geworteld zijn’. Een dergelijke ‘domicile’ is lastig te hanteren in het kader van estateplanning of het afwikkelen van nalatenschappen want een ‘domicile’ is moeilijk kwijt te raken6. Dat dit ook in Nederland tot problemen kan leiden blijkt uit het arrest dat door het gerechtshof Amsterdam is gewezen in de zaak bekend als de zaak Van Breukhoven waar de domicile van erflater in combinatie met een rechtskeuze een probleem bleek.

Valkuil 3: rechtskeuze

Erflater met Nederlandse nationaliteit (Van Breukhoven) had bij Engels7 testament in 2016 over zijn nalatenschap beschikt. In dit testament had hij een rechtskeuze gemaakt voor Engels erfrecht. Hij had zijn kinderen onterfd en wilde voorkomen dat zij een beroep op de legitieme portie konden doen.

Op naam van erflater stonden meerdere bankrekeningen in Nederland en Engeland. Ten tijde van zijn overlijden woonde hij in een appartement in Engeland. Hij beschikte daar over een abonnement op de metro en voor museumbezoek. Ook was hij (mede) in Engeland onder behandeling wegens zijn ziekte en had hij daar een huisarts.

Door de Nederlandse rechter diende vastgesteld te worden of hem rechtsmacht toekwam. Engeland is geen verdragsland en daarom als ‘derde land’ aan te merken zodat artikel 4 ErfVo niet van toepassing is. Omdat erflater de Nederlandse nationaliteit had en goederen uit de nalatenschap zich binnen Nederland bevonden, kwam op grond van artikel 10 ErfVo aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toe. Voor wat betreft de rechtskeuze; in hoger beroep is -terecht- vastgesteld dat deze rechtskeuze in strijd was met artikel 21 ErfVo nu immers slechts een rechtskeuze kon worden uitgebracht voor het Nederlandse erfrecht omdat erflater enkel de Nederlandse nationaliteit had. Omdat geen geldige rechtskeuze was uitgebracht diende de gewone verblijfplaats vastgesteld te worden.

Verwijzingsregels

Omdat het Verenigd Koninkrijk een zogenaamd derdeland is, een land waar de verordening niet geldt, kon niet zonder meer worden aangenomen dat het materiële erfrecht van Engeland van toepassing was op de nalatenschap. Artikel 34 ErfVo schrijft voor dat, als het recht van een derde land aan de orde is, ook de op grond van dat recht toepasselijke (internationaa1-privaatrechtelijke) verwijzingsregels dienen te worden toegepast.
Of (en in hoeverre) het Engelse recht moet worden toege-past, hangt dus af van de inhoud van het Engelse recht, met inbegrip van de Engelse internationaal-privaatrechtelijke erfrecht- en verwijzingsregels.
Als het Engelse ipr (International Private Law) terugverwijst naar Nederlands recht, zal de nalatenschap conform Neder-lands erfrecht afgewikkeld moeten worden.

Erflater had meerdere onroerende zaken in Nederland op zijn naam staan, direct maar ook indirect via een vennootschap of maatschap. Conform de Engelse verwijzingsregels (lex rei sitae) is op de vererving daarvan Nederlands erfrecht van toepassing.

Een kwestie van ‘domicile’

Het hof heeft op 26 september 20238 ook de vraag beantwoord of het ‘domicile of origin’ van de erflater is vervangen door een ‘domicile of choice’. Het antwoord op die vraag diende “clearly and unequivocally” vastgesteld te worden.

Het hof heeft de Engelse overwegingen overgenomen dat aan het bewijs voor de aanname van een ‘domicile of choice’ hoge eisen gesteld moet worden en dat de bewijs-last rust op degene die zich beroept op de wijziging van ‘domicile of origin’ naar een ‘domicile of choice’. Bewezen moet worden dat de erflater uit Nederland is vertrokken en zich in Engeland heeft gevestigd met de intentie om daar permanent of voor onbepaalde tijd te wonen.
Het Engelse recht kent een aantal objectieve feiten en omstandigheden (en/of gedragingen), die de subjectieve factoren – zoals de verklaring van iemand dat hij voor altijd in Engeland wil blijven – dienen te ondersteunen. Objectieve feiten en omstandigheden zijn onder andere; de duur van het verblijf in Engeland ( fysieke aanwezigheid), de nationaliteit of verandering daarin, de vraag of iemand zakelijke belangen/investeringen en/of onroerend goed (een woning) in Engeland heeft aangeschaft, de mate van inburgering in Engeland (“socially integrated”), de omstandigheid dat iemand in Engeland als ‘resident’ en/of stemgerechtigde staat ingeschreven of lid is van een club, alsmede de vorm en inhoud van een mogelijk testament. De beoordeling van iemands ‘domicile’ vergt dus een uitvoerige afweging van potentieel een zeer groot aantal feiten en omstandigheden. Dit is niet zo heel erg anders dan de criteria die volgende de ErfVo gelden voor het vaststellen van de laatste gewone verblijfplaats maar ook niet per se gelijk.

Het gerechtshof Amsterdam heeft niet met zekerheid kunnen vaststellen dat de erflater de intentie had om zich definitief of voor onbepaalde tijd in Engeland te vestigen. Volgens het hof lijkt het erop dat, naast emotionele motieven die zagen op het faillissement van de onderneming van de erflater en zijn echtscheiding, het ontsnappen aan media-aandacht en (met name) een grote fiscale claim, die erflater boven het hoofd hing en die, nadat hij zich had laten uitschrijven in Nederland, in ieder geval na tien jaar zou worden kwijtgescholden, belangrijke redenen voor zijn vertrek uit Nederland vormden. De domicile van erflater was daarom nog steeds aan Nederland verbonden en daarmee was Nederlands erfrecht van toepassing op de afwikkeling van (bijna) zijn gehele vermogen. Het beroep van de kinderen op een legitieme portie werd gehonoreerd.

Fiscale vlucht

De exitheffing in de vorm van de conserverende aanslag is een aspect dat in internationale estateplanning vaak aan de orde komt als reden voor emigratie naar Aruba of enig ander prettig land met fijne leefomstandigheden en fiscaal gunstige regelingen. Een fiscale vlucht kan gezien het oordeel van de Nederlandse rechter er echter niet altijd toe leiden dat een civielrechtelijke claim op de legitieme portie ook omzeild kan worden.

Tot slot

Altijd dienen de verwijzingsregels van internationaal huwe-lijksvermogensrecht en internationaal erfrecht, waaronder de regels van renvoi en/of doorverwijzing, grondig bestudeerd te worden voordat een fiscaal advies wordt gegeven of begonnen wordt met het afwikkelen van een nalatenschap. Ditzelfde geldt natuurlijk ook voor het materiële huwelijksvermogens- en erfrecht. En denk ook eens aan wat interessante mogelijkheden, zoals bijvoorbeeld het inbrengen van goederen in een trust, om erfrechtelijke problemen te voorkomen. Ook als er geen fiscaal voordeel mee te behalen is. Wordt het te complex om zelf te onderzoeken, vraag dan advies. Achteraf is er immers niets meer te repareren en is het spreekwoordelijke kalf dus verdronken.


  • 1  Verordening(EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenningen de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring. Internationaal vaak genoemd: Brussel IV
  • 2 1363, lid 1 en 2, BGB Een ·Zugewinngemeinschaft houdt, kort gezegd, in dat er geen gemeenschap van goederen is, maar bij beëindiging van het huwelijk bestaat over en weer aanspraak op verrekening van de vermogensaanwas ontstaan tijdens het huwelijk, de zo geheten· Zugewinn·.
  • 3 Bijvoorbeeld Arizona, California, ldaho, Louisiana, Nevada, New Mexico, Texas, Washington, and Wisconsin
  • 4 Zie voor een uitgebreide behandeling van diverse zienswijzen, arresten en conclusies de conclusie van P-G Koopmand.d. 25 april 2025 ECLI NL:PHR:2025:500
  • 5 Conclusie A-GM. Campos Sánchez-BordonaHvj EU 16-07-2020, ECLl:EU:C:2020:569
    Een van de belangrijkste zaken in dit verband is Henwood versus Barlow Clowes International Ltd. uit 2008.
  • 6 Engeland is nooit aangesloten bij de ErfVo.
  • 7 ECLI NL:GHAMS:2023:2319


Erfrecht over de grens